Achtergrond hoger beroep
De gemeente Purmerend werkt al jaren mee aan uitbreidingen en nieuwe activiteiten van bedrijven in het UNESCO werelderfgoed De Beemster. Dat heeft een impact op de unieke waarden van dit werelderfgoed waaronder de kenmerkende grote openheid. Velen denken misschien dat het allemaal niet zo erg is. Maar er ontstaat een glijdende schaal en zo worden steeds meer activiteiten toegestaan. Het schept dus een precedent. Dit soort activiteiten hebben een nivellerende werking op De Beemster, waardoor de uniekheid daarvan steeds minder zichtbaar en beleefbaar wordt. Het landschap wordt daardoor minder onderscheidend, terwijl men met de aanwijzing als UNESCO werelderfgoed juist deze onvervangbare uniekheid van De Beemster heeft willen behouden, voor nu en in de toekomst.
Kern van het geschil
Een agrarisch hulpbedrijf wil voor de zoveelste keer uitbreiden op een plek waar dat in 2015 volgens de gemeente ondenkbaar was mede op grond van twee onafhankelijke adviezen van de provinciale Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling en Landschap Noord-Holland. Vergunninghouder mocht toen alleen maar achter de bestaande loodsen bouwen en niet aan de zijkant daarvan. De zijkant moest onbebouwd en openblijven om ervoor te zorgen dat er goede contactmogelijkheden zouden worden behouden met het open landschap achter de bestaande bebouwing. Zonder enig onafhankelijk advies veranderde de gemeente in 2024 van standpunt. Zij kon ook niet motiveren waarom zij van mening was veranderd. Wij schreven daar al eerder over.

Uitspraak
De rechterbank leek te vinden dat de aantasting van de openheid wel meeviel. Zij oordeelde bijvoorbeeld dat de uitbreiding grotendeels binnen de afwijkingsmogelijkheden van het bestemmingsplan paste. Deze afwijkingsmogelijkheid geldt echter niet voor agrarische hulpbedrijven. De rechtbank had verder ten onrechte aangenomen dat dit soort loon- of hulpbedrijven mochten uitbreiden tot twee hectare. Doordat de uitbreiding van het hulpbedrijf aan de Middenweg binnen een kleiner bouwvlak dan twee hectare bleef zou de openheid dus niet worden aangetast. De rechterbank heeft daarom de bezwaren van SBW tegen de onjuistheden in de ruimtelijke onderbouwing van vergunninghouder niet serieus genomen.
Zoals hierboven opgemerkt werkte de gemeente in 2015 mee op grond van twee onafhankelijke adviezen. Voor zover de gemeente daarna zou willen meewerken (als dit al zou kunnen) aan het wijzigen van het bouwvlak, zal zij gezien de regelgeving en voorgeschiedenis de uiterste zorgvuldigheid moeten betrachten, althans op zijn minst eenzelfde zorgvuldigheid moeten betrachten, namelijk het inwinnen van adviezen van onafhankelijke organen. Immers, aangezien de eisen aan de bescherming van werelderfgoederen noch regelgeving zijn gewijzigd, zal duidelijk moeten zijn waarom wat in 2015 op grond daarvan niet mocht, nu opeens wel zou zijn geoorloofd. Daarom vindt SBW dat het besluit door de gemeente niet met de vereiste zorgvuldigheid is vastgesteld. De rechtbank had ook daarom het besluit van de gemeente moeten vernietigen.
Hoger beroep
Vanwege het bovenstaande wil SBW de hoogste rechter vragen wat zij van de uitspraak van de rechtbank vindt. Het beroepschrift is op 22 december 2025 ingediend, waarvan de beroepsgronden op 17 januari jl. zijn aangevuld. Het zal waarschijnlijk een jaar duren voordat deze kwestie door de Raad van State zal worden behandeld. Wij zullen u te zijner tijd over de afloop informeren.




